n.a.v. F. van der Meer, Augustinus de zielzorger, Utrecht/Antwerpen 1957
Augustinus 42 jaar oud
Geen mens uit de oudheid kennen we zo goed als Augustinus. Wat hij in zijn Belijdenissen heeft opgeschreven is uniek. Sommige passages uit dit boek zijn onvergetelijk. Niemand die als student teksten uit deze autobiografie heeft gelezen vergeet passages als over de stad Carthago waar xe2x80x98de ketel der vuile liefdes aan alle kanten onder groot geraas stond over te kokenxe2x80x99. Als zovele anderen in die dagen werd Augustinus letterlijk de priesterbank opgesleurd. Hij wist dat men hem overal in Africa graag voor het episcopaat wilde opvangen; daarom vermeed hij op zijn weinige reizen stelselmatig alle gemeenten waar een bisschopszetel vacant was, en juist te Hippo had hij zich veilig geacht: daar was de bisschop wel oud maar nog kerngezond. Uiteindelijk beklom Augustinus in Hippo de cathedra in het jaar 396, op 42-jarige leeftijd, toen hij de overleden Valerius opvolgde.
Africa romana
De kuststrook van Africa vormde toen een welvarend en dicht bevolkt land. Het was een land zonder dorpen, maar bezaaid met talloze stadjes. Elk van die typisch Romeinse stadjes (municipia en coloniae) bezat een bisschop; in de meeste steden woonden er een tijdlang zelfs twee: de katholieke en de schismatieke (donatisten). Carthago was Augustinusxe2x80x99 tweede huis. Deze stad telde een half miljoen inwoners. Tijdens de verwikkelingen rondom de donatisten bracht hij veel tijd in deze stad door. Hippo Regius (want zo heette het officieel) was geen schepping van de Romeinse militaire bezetting maar een zeer oude havenstad. Het nam de tweede plaats in na de wereldstad Carthago in Africa romana. De stad lag aan de zoom van een wijd achterland. Het platteland was uiterlijk en in naam gekerstend. De stadsbevolking was overwegend christelijk.
Heidense minderheid
Augustinus kon zeggen: xe2x80x98Geen huis, of er woont een christen, en haast geen huis, of er wonen al veel meer christenen dan heidenenxe2x80x99. Tocht telde Africa nog vele aanzienlijke heidenen. Heidense bestrijders van het christendom vroegen bijvoorbeeld hoe het toch zat dat waar de oude goden door het publiek aanbeden kon worden het christendom dat achter slot en grendel houdt. De heidense minderheid was niet ongevaarlijk en de christelijke meerderheid was niet altijd even ondubbelzinnig christelijk in haar levensgedrag. Augustinus zegt: xe2x80x98Als de christenen eens uit het theater wegbleven, zouden de heidenen zich schamen over hun handjevol, en uit de lege rangen weglopen. (xe2x80xa6) De heidenen eindigen allen met te geloven of uit te stervenxe2x80x99.
Heidendom in de harten
Het was veel gemakkelijker de idolen (afgoden) uit de tempels te halen dan uit de harten en de verbeeldingen. Augustinus wist als geen ander hoeveel heidendom er nog rondspookte in gedoopte hoofden. Velen waren met geen geweld van de onbetamelijke schouwspelen af te trekken. De massale kerstening was nog geen honderd jaar geleden ingezet, en overhaast geschied. Een befaamd opschrift dat gevonden is op het forum van een stad luidde: xe2x80x98Jagen baden / spelen lachen / dat is / levenxe2x80x99. Dit kon nog altijd gelden als de beknopte samenvatting van de levensbeschouwing van de meesten, christen of niet.
De pompa diaboli
Als Augustinus in de paasnacht zijn dopelingen plechtig de vraag stelde: xe2x80x98Verzaakt gij de duivel? En al zijn pomperijen?xe2x80x99 dan dachten dezen vagelijk aan de wereldse verlokkingen, en voelden zij wellicht een ogenblik scherp, dat zij niet in de theaters hun eeuwige zaligheid zouden verkrijgen. Maar tweehonderd jaar eerder, in de dagen van Tertullianus, dachten andere dopelingen bij dezelfde woorden aan iets zeer concreets: de pompa waaraan zij voorgoed vaarwel zegden, was het gehele hen omringende apparaat van eredienst en vermaak. Maar in de christelijke maatschappij van omstreeks 400 bloeiden de kijkspelen meer dan ooit. Waar xe2x80x98de enorme massa van het theater wordt gebouwd, wordt de grondslag der deugd ondergravenxe2x80x99, zo heeft eens iemand gezegd. Dit alles ging gepaard met een waanzinnige verkwisting.
Het theater
Augustinus behoort niet tot de grote xe2x80x98donderaarsxe2x80x99 tegen het theater. Maar als hij eens komt tot ernstige verwijten, dan noemt hij tien tegen xc3xa9xc3xa9n het theater. Hij kende het goed, want hij was er in zijn prille jeugd verzot op geweest. Er waren drie soorten spelen. Allereerst die van het amfitheater, het xe2x80x98hol der bloeddorstigheidxe2x80x99. Hier liet men opgehitste en uitgehongerde dieren onderling vechten: panters, luipaarden, tijgers, stieren, leeuwen en beren, hoe vreemder hoe liever, en bij kuddes tegelijk. Soms vochten er ook gevangenen en boeven mee. De ergste gruwel waren de gladiatorenspelen. Dit werd in die tijd verboden. Wat ook voorkwam, waren zeeslagen, waarbij men de arena tussen de oplopende rangen vol water liet lopen en kleine schepen vol galeiboeven liet vechten. De amfitheaters van Africa verbazen door hun grote afmetingen. Geen kerkvader heeft ze ooit leeg kunnen preken.
Stadion vol, kerk leeg
Op dagen dat zulke gevechten plaatsvonden bleef de kerk vaak zo goed als leeg. xe2x80x98Eens waren wij zelf zo dwaas daar te zitten: en hoeveel toekomstige christenen zouden daar, denkt u, op dit ogenblik zitten? Ja, wie weet hoeveel toekomstige bisschoppen?xe2x80x99 Een ander genre, het wedrennen, hoorde thuis in het circus, een lang, smal renperk met ronde hoeken. Hier stoven kleine tweewielige met vier renpaarden bespannen karretjes rond. Ook dan bleef de kerk half onbezet, niet zozeer uit boos opzet, maar als uit gewoonte. Het krankzinnige samen brullen, het mateloze wedden, het hartstochtelijk partijkiezen voor xc3xa9xc3xa9n der vier kleuren, de woedende teleurstelling als de eigen kleur verloor, het verafgoden van een geliefde menner wiens naam overal bekend was, de geheimzinnige samenhorigheid die een massa bijeenbindt in genegenheid voor een sportheld, het voortdurend met iedereen praten over de favoriet, dit allemaal vond in zoxe2x80x99n atmosfeer plaats. xe2x80x98Is het dan geen waanzin, dat toebrullen van een wagenmenner? Neen! zeggen ze, niets fijner dan datxe2x80x99.
Theater als schande van de stad
Een derde genre was het eigenlijke theater. Augustinus spreekt nooit dan met afkeer van de grote spelen, die zoveel geld verslinden, maar hij wordt giftig als hij denkt aan het vulgaire theater. Het personeel bestond in de regel uit xe2x80x98deernen, scorta en koppelaarsxe2x80x99. Het ging vaak over de minnehandel van de oude goden en lichte geschiedenissen van fabel en bordeel. Het ging alle perken te buiten. xe2x80x98Vadermoord en bloedschandexe2x80x99, zo zei Tertullianus. Er werden scxc3xa8nes opgevoerd die de jonge Augustinus soms al tijdens het lezen en eerst goed op de planken de tranen in de ogen brachten, ja met wellust lieten wenen. Augustinus zag het theater als een leerschool van ontucht, de schande van zijn christelijke stad, een voortdurende naaste gelegenheid tot prostitutie. Hij wist, dat het repertoire bestond uit datgene wat onder christenen zelfs niet genoemd mag worden, en hij zag met eigen ogen dat alle paasbokken tot de vaste klanten van de mimen behoorden. Geen wonder, dat hij ieder theaterbezoek verbood.
xe2x80x98De stakkerds, wat missen ze toch veel!xe2x80x99
xe2x80x98Waarom provoceert u toch wat u afkeurt?xe2x80x99 zo vroeg hij zich af. En wat zeiden de mensen van hen die niet aan dit alles meededen? Als zij, het hoofd nog vol van het genotene, ergens in de stad een geestelijke herkenden, dan zeiden ze tegen elkaar: xe2x80x98De stakkerds, wat missen ze toch veel!xe2x80x99 De spelen behoorden tot xc3xa9xc3xa9n der beste erfstukken van de oude godsdienst, namelijk de oeroude cultische volksfeesten. Bij een oude tempel hoorden een oude legende en een oud feest. Nu zaten de tempels dicht, de offers waren vervallen, de fabels goeddeels vergeten, maar de feesten gebleven, en niemand wilde ze kwijt. Ook te Hippo was het elk jaar carnaval, waarbij men verkleed en gemaskerd over straat ging.
Bijgeloof
De oude bijgelovige praktijk was ook nog springlevend. Veel christelijke schippers staken niet van wal zonder een ogenblijk xe2x80x98de haven Christi te vergeten voor de sirenen van het bijgeloofxe2x80x99 en stilletjes vader Neptuin aan te roepen. En een christelijke kraamvrouw zocht nog altijd haar toevlucht tot de goede moeder Juno of de Hemelse Godin. Augustinus verkondigde: Saturnus en de Hemelse zijn nu geen baas meer in Carthago. Maar Salvianus schreef honderd jaar later: de Hemelse regeert nog steeds, vooral onder de voornamen. De oude herinneringen bleken te machtig. De platvloerse menigte at het liefst van twee wallen. Hun zielen dorstten misschien naar God, maar hun vlees nog niet en hun hart evenmin. Christus zorgt toch niet voor het tijdelijke, vonden zij, laat ons daarvoor de oude goden aanhouden. Zo hield men zich ook bezig met de horoscoop.
Velen gingen met een rest van antieke pixc3xabteit en een grote dosis onverschilligheid naar de plezierige oude feesten voorzover die nog bestonden. Waarom de oude middeltjes niet geprobeerd? Waarom niet naar waarzegsters, tovenaars en kwakzalvers? Was de lucht niet vol kwade demonen, de geestelijke boosheden in de lucht waar de lezer over voorlas in de kerk? Wat, als je ze tegen had? Iedereen deed het, ook de rijken. Sommige rijkaards gaven veel geld er aan uit.
Tegen de horoscoop
Tegen niemand valt Augustinus heftiger uit dan tegen de wetenschappelijke bedriegers van die tijd, de astrologen. Bijna al zijn christenen hielden de sterrenkijkerij (die toch sinds Theodosius wettelijk was verboden) voor een exacte en behoorlijke wetenschap, en de sterrenwichelaars voor echte, zij het nogal dure, geleerden. In zijn jeugd was Augustinus zelf aan hun boeken verslaafd. Nu viel hij hen aan op grond van zijn filosofische beginselen, en toonde aan hoe weinig consequent ze optraden. Ronduit zegt hij: xe2x80x98Zij maken u wat wijsxe2x80x99. Alle geloof aan het fatum (lot) bestrijdt Augustinus als een verwoestende pest, omdat het de vrije wil ontkent, het wilsleven ontkracht en alle zedelijke verantwoordelijkheid onmogelijk maakt. De uitdrukking fatum keurde hij voortaan af. Het onuitroeibare plompe bijgeloof vormde de noodlottigste erfenis van het heidendom. Is het niet ongehoord dat een hond iets kan afleren, en een mens niet omdat hij onder een kwaad gesternte geboren is? Tallozen zaten bevangen in de vrees voor het kwade gesternte. Zakenlui hielden lijsten van ongunstige xe2x80x98Egyptischexe2x80x99 dagen. Overal hoorde Augustinus zeggen: xe2x80x98Dat jaar plant ik dit of dat niet, het is een schrikkeljaar; ik ga niet op pad want het is een ongeluksdagxe2x80x99. Gelovige christenen zeiden hem naxc3xafef en recht in zijn gezicht: xe2x80x98Daags na de kalenden ga ik niet op reisxe2x80x99. Zelfs kwamen er in het bisdom xe2x80x98niet wetendenxe2x80x99 om hem vertrouwelijk te waarschuwen: laat Uwe Heiligheid toch dan en dan niet op reis gaan. Het sterrengeloof was kortom zo algemeen, dat Augustinus er bij de geringste aanleiding tegen te keer ging.
Alle goden der heidenen zijn demonen?
Augustinus zelf was er vast van overtuigd dat de pomperijen der schouwburgen, de zwarte kunst, de waarzeggerij en de astrologie, kortom de ganse boedel van het heidendom, een apparaat vormden dat in dienst stond van de demonen. Men was overtuigd dat de oude goden wel degelijk bestonden, zij het als vergoddelijkte mensen, zij het als demonen zelf. Zong men niet in Psalm 96: xe2x80x98Want alle goden der heidenen zijn demonenxe2x80x99? Augustinus geeft toe dat demonen in zekere zin machtig zijn. Ze beschikken over drie geduchte talenten: subtiele, allesdoordringbare waarneming, vlugheid van beweging en vooral lange ervaring. Bijgeloof, dat is alles wat door mensen in ingesteld betreffende het maken en eren van afgoden. Het omvat twee dingen: de schepselen eren in plaats van God, en: door afgesproken tekens de demonen raadplegen, en rekening houden met hun adviezen. Augustinus zag de demonische toestel der geheime tekenen als een tegenstuk van de sacramenten der kerk. Hier de simpele maar werkdadige symbolen van de genade, daar de ingewikkelde dingen.
Duivelse aard oude cultus bittere ernst
Het is onjuist te menen dat de demonen mede zijn wereldbeeld beheersen, of zelfs maar kunnen schenden. Die wereld is verlost, en niet verlost door het betalen van een schatting aan satan. Christus op het kruis was een lokaas van satan, maar het kruis werd zijn muizenval. Augustinus dacht in de voorstellingen van het laat-antieke wereldbeeld, en dit verklaart het verregaande realisme van zijn demonengeloof. Het is wel jammer dat Augustinus hierdoor, als hij naar de sterren keek, niet aan de voetlampen van Gods troon dacht maar aan de astrologische zwendel van de demonen. De duivelse aard van de oude cultus was hem bittere ernst. Wat de oude goden hadden aangeraakt in deze wereld: plaatsen, feesten, kalendernamen, gebouwen, kunstwerken, zelfs de verzen die men, eens gehoord, nooit meer vergat xe2x80x93 het was in zijn ogen in zeker opzicht verontreinigd. Wat er in stak, was geen demon, maar zijn klevende giftige herinnering. Hij zou de namen van de weekdagen graag veranderd zien.
Nergens blijkt dat hij de concrete resten van de voormalige eredienst als zodanig schuwde; de beelden, de bronnen, de verwelkte kransen, de altaren uit graszoden en de spijsresten van geheime maaltijden voor dragers van demonische smetstof hield. Hij vreesde geen contact met steen en marmer, eerder het geestelijk contact met dierbare oude schrijvers die hij op zijn oude dag naamloos citeerde.
[Augustinus de zielzorger (1) (2) (3) (4) (5) (6) (7)]